Een aantal pagina’s tekst uit het boek: “Bep Voskuijl, het zwijgen voorbij”

Huis- en tafelgenote (1942-1944)

Tijdens de onderduik ontwikkelde Bep de gewoonte om meestal in het Achterhuis te lunchen. Ze was altijd welkom bij de onderduikers, en zeker bij Anne, die steevast eiste dat Bep aan tafel naast haar kwam zitten. Blijkbaar beschouwde Anne haar als vaste gast aan de middagtafel. Toen ze in haar dagboek de gang van zaken tijdens de lunch besprak, typeerde ze naast de acht onderduikers ook Bep: ‘No 9 is geen Achterhuis-familielid, maar wel een huis- en tafelgenote. Bep heeft een gezonde eetlust. Laat niets staan, is niet kieskeurig. Met alles kan men haar plezieren en dat juist pleziert ons. Vrolijk en goedgehumeurd, gewillig en goedig, dat zijn haar kenmerken.’

Bep was zich ervan bewust dat ze met haar aanwezigheid aan de lunchtafel een positieve wind door het Achterhuis kon laten waaien. Ze liet de onderduikers hun wensen en behoeftes uiten, waarna ze die met de beperkte middelen probeerde in te lossen. Daarnaast had Bep een informerende rol aan tafel. Zij kon een getrouw beeld van de buitenwereld schetsen en terwijl ze sommige droevige gebeurtenissen verhulde, had ze alle aandacht wanneer ze aan het woord was.

Bep was bovendien stevig aanwezig bij de discussies over de oorlog. Zoon Joop hoorde later van zijn moeder hoe het er op die momenten aan toeging: ‘Het ging over politiek. Over de mensen die op dat moment aan het stuur zaten, of over mensen die er helemaal niet waren en er naar hun oordeel juist hadden moeten zijn. De ontwikkelingen van de oorlog werden gevolgd. Daar werden tekeningen en kaarten bij gebruikt, om te zien waar de Duitsers zaten. […] De rol van bemoedigen, ervoor zorgen dat ze daar met z’n allen niet gedeprimeerd raakten, die was natuurlijk weggelegd voor de mensen die buiten kwamen. Want ga daar maar eens twee jaar opgesloten zitten, het allemaal van horen zeggen moeten hebben […]. De gesprekken die gehouden werden, waren echt fors.’

De onderduikers genoten zo van de bezoeken van hun helpers – naast de radio hun enige link met de buitenwereld – dat ze het telkens als een gemis ervoeren als een van hen wegens ziekte het bed moest houden. Anne hield in haar dagboek dan ook secuur bij hoe het met de gezondheid van haar helpers gesteld was. Volgens Kugler ‘braken onze bezoekjes […] de dagelijkse sleur voor die opgesloten mensen. Als zij nerveus werden en er ruzietjes ontstonden, konden wij de spanning breken en was alles weer koek en ei.’

Die wetenschap was de reden waarom Bep zich op 30 oktober 1942 liet overhalen om de nacht door te brengen in het Achterhuis. Aanvankelijk was het plan dat Bep ’s avonds al- leen zou mee-eten met de onderduikers, maar toen ze zich klaarmaakte om te vertrekken, wilde Anne haar niet meer laten gaan. Dat was een moment dat zich al vaker had afgespeeld: Anne die Beps bezoek probeerde te rekken en Bep die ten slotte toch, met pijn in het hart, afscheid moest nemen. Voor deze keer besloot Bep Annes wens toch in te willigen.
Op deze avond maakte Bep intensiever kennis met Anne in relatie tot haar passie en talent voor het schrijven. Ze kreeg enkele verhaaltjes onder ogen die Anne zelf had bedacht en was oprecht verbaasd dat een jong meisje als zij op literair gebied al zo ontwikkeld was. In een brief aan Otto Frank memoreerde ze later het moment dat Margot uit Annes verhaaltjes voorlas. ‘Ik wist toen echt niet wat ik hoorde. Ik kon me niet indenken dat Anne die geschreven had. Ik zie nog zo het gezicht van die Margot: “Ja die heeft Anne helemaal alleen geschreven.” Toen dacht ik, je moet in wezen toch ouder zijn om zoiets te kunnen schrijven, of was het juist haar eigen innerlijk dat naar voren kwam.’

Deze onthulling was voor Bep aanleiding om met Anne een gesprek aan te knopen over haar kijk op de toekomst. Toen Bep vroeg of ze later schrijfster of journaliste wilde worden, was Anne even uit het lood geslagen. Daarna klaarde haar gezicht op en vertelde ze glunderend: ‘Ik wil eerst trouwen met de man van mijn leven en snel veel kinderen krijgen!’ Cok van Wijk weet dat zijn moeder op deze avond ook spelletjes speelde met de onderduikers. Het werd steeds later in de schuilplaats en ten slotte ging Bep met Anne mee naar haar kamer, waar het luchtbed tevoorschijn werd gehaald waarop ze zou slapen. Op het moment dat Bep had ingestemd met Annes wens, realiseerde ze zich niet dat ze een slapeloze nacht tegemoet ging. Dat besef kwam er pas toen het licht uitging en er uren voorbijgingen zonder dat ze een oog dichtdeed. Als ‘in één woord verschrikkelijk’ zou ze haar overnachting later dan ook typeren.

Haar slapeloosheid was vooral te wijten aan de omgevingsgeluiden rond de schuilplaats: ‘Dan kraakte er weer eens een balk of een deur, dan was het weer iets buiten op de gracht, een windstoot die een boom deed kraken of een auto in de verte, die dichterbij kwam. En dan steeds weer de klokken van de Westertoren! Dat zijn toch eigenlijk heel bekende en vertrouwde geluiden, nietwaar, maar die nacht hielden ze mij alleen maar wakker.’ Dat had te maken met de angst om opgepakt te worden. Later realiseerde Bep zich dat ze nog geluk had gehad dat het luchtalarm – dat door merg en been ging – die nacht niet afging.

‘Ik was dankbaar toen de ochtend aanbrak en ik weer aan het werk kon gaan,’ vertelde Bep jaren later. Terwijl ze doodmoe haar bed uitkroop, viel het haar op hoe monter Anne voor de dag kwam. Zij was na vier maanden in de schuilplaats kennelijk gewend geraakt aan de verschillende omgevingsgeluiden. In haar dagboek meldde Anne dat Bep ‘niet goed [had] geslapen omdat ze wijn gekregen [had]’.11 Bep wilde Anne duidelijk het verhaal van haar angstige nacht besparen. Met Miep sprak Bep intensief over haar nachtelijke avontuur. Zij had enkele maanden voorheen tenslotte hetzelfde ervaren – met haar man had ook zij een keer de nacht doorgebracht in het Achterhuis. Bep en Miep waren het erover eens dat het een macabere belevenis was, maar ze vonden het een goede zaak dat ze nu een idee hadden van wat het onderduiken inhield. Volgens zoon Joop refereerde ze aan die nacht ‘als ze het had over haar respect voor de mensen die daar zaten. Ze kon het zich zo voorstellen dat […] je ieder piepje en kraakje […] associeert met “ik word verraden” of “ze hebben me nu gehoord”. Door die spanningen zelf een keer te ervaren, […] kon ze dat goed invoelen.’

Tegen het einde van de werkdag ging Bep niet zoals de andere helpers naar huis. Ze was de hele dag uit haar doen ge- weest en had haar hoofd niet bij haar taken kunnen houden, dus ze wilde op kantoor wat werk inhalen. Het was tegen acht uur, toen de kantoordeur openging en Annes gezicht in de kier verscheen. Na de kantooruren bewogen de onderduikers zich vaak vrij door het pand om wat meer privacy te hebben. ‘Is iedereen weg?’ fluisterde Anne, doelend op het magazijn- personeel van het bedrijf. ‘De kust is veilig hoor,’ stelde Bep haar gerust. Anne sloop het kantoor in en stelde zich verdekt op bij het raam, achter het gordijn. Terwijl ze naar buiten keek, hoorde Bep haar een diepe zucht slaken. Anne vond het geweldig om een glimp op te vangen van de buitenwereld, maar tegelijk frustreerde het haar dat ze zelf niet naar buiten kon. Het was de tweede keer dat Bep die dag zo direct werd geconfronteerd met de opgesloten positie van de onderduikers.

Anne-Frank-en-Bep-Voskuijl-Amsterdam-1941



Vier redenen om dit boek te kopen:

  1. Het bevat een ‘nog nooit verteld verhaal’, geschreven vanuit de bron.
  2. Het onthult een zorgvuldig verborgen waarheid.
  3. Het handelt over grenzeloze moed en loyaliteit in het leven.
  4. Wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd is iets, dat we nooit
    mogen vergeten.

Deze onderwerpen vormen de missie van dit boek voor jong en oud.

Ik zal de roem ervan verspreiden!!

Ik heb onlangs “Bep Voskuijl, het zwijgen voorbij” gelezen en ik heb daar bepaald geen spijt van. Bep was iemand die de publiciteit niet zocht; Ik denk dat het boek haar dus bepaald recht doet. Wat me ook zal bijblijven is het feit, dat veel meer dan ik me ooit gerealiseerd had, de jammerlijke realiteit dat de onderduik niet tot een goed einde heeft kunnen komen, voor de rest van hun leven gedrukt heeft op allen die erbij betrokken waren. En de paradox dat Anne Frank dan zeker niet het wereldwijde symbool van de Shoah geweest zou zijn. […]
En dan de gotspe van de ontkenning van de Shoah, nota bene door wetenschappers van naam, bij zo’n stortvloed aan bewijs. De wereld heeft de waanzin nog niet afgeleerd. Ik vind, maar dat is eigenlijk bijzaak, het boek ook geschreven in heel soepele taal. Het leest heerlijk, als dat al een woord zou zijn, dat bij het onderwerp past. En de prachtige uitvoering van het boek … Ik zal de roem ervan verspreiden!!

Arie van Ballegooijen (Historicus):

“Ik moet mijn idealen hooghouden voor de tijd,
die misschien komt wanneer ik in staat zal zijn om ze uit te voeren.

Anne Frank